chapter  24
22 Pages

Introduction

Relative clauses

De man die daar zit, heet Erik. De vrouw die naast hem zit, heet Sanne. Erik leest een boek dat heel spannend is. Sanne bekijkt foto’s die ze in Parijs gemaakt heeft. De foto waarnaar ze nu kijkt, is van de Eiffeltoren. De telefoon gaat. De persoon met wie Sanne nu praat, is haar vriendin Netty. Netty komt even koffiedrinken, wat Sanne heel leuk vindt. The man who is sitting over there is Erik. The woman sitting next to him is Sanne. The book that Erik is reading is very thrilling. Sanne is looking at photos that she took in Paris. The photo she is looking at right now is of the Eiffel Tower. The phone rings. The person to whom Sanne is talking now is her friend Netty. Netty is coming over for coffee, something which Sanne really likes.